Het leven is vurrukkuluk - Remco Campert

De uitgave die ik in handen kreeg is er eentje in de reeks ‘Lijsters’, een reeks voor jongeren. Op de cover staat een jonge vrouw die vol overgave geniet van de zon.  

 

Campert wordt gerekend tot de generatie van de vijftigers en geldt daarbinnen als de meest toegankelijke onder hen. ‘Het leven is vurrukkulluk’ is zijn debuutroman.

Het boek beschrijft een dag uit het leven van twee jonge mannen, Mees en Boelie. Ze komen een meisje tegen, Panda. Ze beroven een oude man en bouwen met dat geld een feestje in het huis dat ze samen delen. Tussendoor versiert Mees Panda en gaat Boelie langs bij de journalist Ernst-Jan en versiert hij diens vrouw, Etta. Dit alles gebeurt in en rond een park, een speelplaats.  

Het verhaal verloopt chronologisch, maar wordt een paar keer onderbroken door herinneringen of mijmeringen (flashbacks) van Mees en Etta. Er is sprake van een meervoudige vertelsituatie: meestal is er een alwetende verteller aan het woord, maar in een herinnering van Mees die over twee hoofdstukken loopt, is er een ik-verteller aan het woord. De verteller is dus de hele tijd extern, maar wisselt van hetero- naar autodiëgetisch.

De personages vertolken elk hun rol in het verhaal, maar blijven daarbij redelijk oppervlakkig, waardoor identificatie eerder moeilijk is.

‘Het leven is vurrukkulluk’ is de titel van het boek, de eerste zin, uitgesproken door Panda, en de vraag die Campert aan al zijn personages stelt. Ze weten het niet en lijken het ook niet te zijn, behalve op enkele korte toevallige momenten. “Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen, Geenszins om de liefde, maar om de sublieme Momenten en het sentiment daartussen.” Dit citaat uit Het Tuinfeest van M. Nijhoff is het motto van het verhaal.

‘Mees stond voor het raam en zag hoe op nog geen twee meter afstand van hem de jongen, aan zijn paraplu hangend, langzaam en statig naar beneden kwam zweven en veilig in de tuin daalde.

‘Een wonder.’

Mees hief zijn glas naar de jongen, die zijn paraplu dichtklapte en een kleine buiging maakte.

Mees draaide zich om, overzag het feest en begon te lachen. Een gevoel van geluk, zo hevig als hij het nog nooit had gekend, stroomde door hem heen en verzoende hem met bijna alles.’

Dat geluk wordt voornamelijk gezocht in seks en liefde, maar ook wel in artistieke ontplooiing (Mees).

Ik vond het verhaal helemaal niet boeiend. Het boekje van 122 pagina’s lag wekenlang op het salontafeltje en baande zich daar gestaag een weg naar het onderste van de stapel. Ik kan me inbeelden dat mijn vader, als kind van de jaren vijftig, smakelijk gelachen zou hebben om de geëtaleerde zinloosheid. Maar als kind van de jaren tachtig, die pragmatische generatie, vind ik er niets aan, het brengt mij niets nieuw. Behalve dan de schitterende woordspelingen. Campert heeft het over ‘seksjuweel’ (seksueel), ‘giegullen’ (giechelen), ‘vélozoveerde’ (filosofeerde), ‘konkluweerde’ (concludeerde), ‘meteorologiseerde’ (sprak over het weer), ‘Mah-Rioe-Wan-A-sigaretten’ (marihuana) en ‘mond- en clauszeer’. En misschien toch ook die meesterlijke scène waarin Boelie, met Etta betrapt in het huis van de buren, er met een zelfzeker trucje in slaagt de situatie zo te draaien dat de buren hen bedànken dat ze bij hen zijn binnengekomen. En, toegegeven, de beschrijving van de periode waarin Mees in bars piano speelde, is ook heel sfeervol.