Finn en de spoken

Finn en zijn mannen organiseerden eens een bijeenkomst waar ook paarden races gehouden werden. Ene Dil mac Da Chrec bezat een prachtig zwart paard, dat elke race won waaraan hij deelnam. Finn wilde dit paard heel graag hebben, en kreeg het tot zijn grote vreugde ook.

Eeen tijdje later besloot hij het paard te berijden. De krijgers Oisin en Cailte gingen met hem mee; Ze reden heel Ierland door tot het nacht werd. Finn zei: ‘Het was stom van ons om zo lang door te rijden. Laten we gauw een slaapplaats zoeken.’ Hij zag plotseling een huis in een vallei voor hem waar nog licht brandde. ‘Dat is vreemd,’ zei Finn, ‘Ik ken deze vallei, maar ik heb hier nog nooit een huis gezien.’ Ze besloten om toch maar naar het huis te gaan en Finn klopte aan. Een afschuwelijk lelijke reus deed open. Zijn ogen waren zo rond als mereleieren en zo zwart als de dood. Zijn tanden waren onderaan grijs en bovenaan goudkleurig. De reus hette hen welkom en liet ze binnen, maar zodra ze binnen waren, vergrendelde hij de deur met een ijzeren balk; ‘Welkom terug, Finn!’ zei hij. ‘We wachten al heel lang op je!’

Finn, Oisin en Cailte gingen op een bank zitten en de reus waste hun voeten. Daarna stak hij een vuur aan van vlierhout en de drie mannen stikten bijna in de rook. Toen zagen ze opeens dat er nog meer wezens in het huis waren – ze waren allemaal even angstaanjagend! Er was een pikzwarte heks met drie hoofden – één hoofd dat huilde, één dat lachte en één dat sliep. Aan de andere kant van het vuur stond een man zonder hoofd met één oog in zijn borstkas. ‘Maak muziek voor Finn en zijn mannen,’ zei de reus, ‘ik ga voor ze koken, maar dat gaat nog even duren.’ ‘Goed,’ zei de heks.

Plotseling verschenen er aan de ene kant van het huis negen rompen uit de grond en negen hoofden aan de andere kant. Ze slaakten negen angstaanjagende kreten. De heks, de reus en de man zonder hoofd krijsten terug. De geluiden die ze produceerden waren afschuwelijk! Ze zouden de doden nog tot leven kunnen wekken, en mensen spontaan kunnen laten flauwvalle.; Het gezang van de man zonder hoofd was nog wel het allerergste: Finn en de anderen dachten dat hun hoofd zou barsten.

De reus ging na het geschreeuw verder met het eten; Hij stond op, liep naar Finns nieuwe paard en doodde het. Onmiddellijk daarna vilde en slachtte hij het arme dier. Cailte was geschokt en maakte aanstalten om de reus aan te vallen. ‘Nee!’ riep Finn. ‘Wees blij dat wij nog leven.’ De reus reeg vrolijk het hoofd van het paard aan het spit en hield het een minuutje of wat boven het vuur. Toen schotelde hij Finn het halfrauwe hoofd van zijn paard voor. ‘Dat eet ik niet,’ zei Finn. ‘Dat zal je berouwen!’ riep de reus woest. Iedereen stond op en kwam dreigend op de mannen af. Plotseling doofde het vuur. Finn, Oisin en Cailte werden de hele nacht geschopt en geslagen, totdat ze flauwvielen. Ze bleven bewusteloos liggen tot de volgende dag.

’s Ochtends werden ze wakker. Ze zagen tot hun stomme verbazing dat het huis verdwenen was – ze lagen op het gras. Finns paard stond naast hen, kerngezond. De mannen vroegen zich af wie hen zo aan zou vallen. Finn plaatste toen zijn duim in zijn mond en zong een magische spreuk. Zo kwam hij te weten dat ze waren aangevallen door de drie spoken van de vallei van Iburglenn, en dat ze dat gedaan hadden omdat Finn en zijn mannen ooit eerder hun zus gedood hadden.