Het boordje
Er was eens een deftige heer, die niet meer bezat dan een laarzeknecht en een kam, maar hij had het mooiste boordje van de wereld en over dat boordje gaat dit verhaal. Het boordje was nu oud genoeg om aan trouwen te denken en kwam toevallig in de was met een kousenband.
‘Jeetje!’ zei het boordje. ‘Ik heb nog nooit iemand gezien die zo slank en zo teer, zo zacht en zo mooi is. Zou ik uw naam mogen vragen?’
‘Dat zeg ik niet!’ zei de kouseband.
‘Waar hoort u thuis?’ vroeg het boord. Maar de kouseband was erg schuchter en vond het maar raar om daar antwoord op te geven.
‘U bent zeker een ceintuur,’ zei het boord, ‘zo eentje die onder de kleding zit! Ik kan wel zien dat u nuttig en mooi bent, juffrouwtje!’
‘U mag niet tegen mij spreken,’ zei de kouseband; ‘Ik dacht dat ik u helemaal geen aanleiding had gegeven!’
‘Ja, als je zo mooi bent als u,’ zei het boord, ‘dat is aanleiding genoeg!’
‘Kom niet zo dichtbij,’ zei de kouseband; ‘U ziet er zo mannelijk uit!’
‘Ik ben ook een deftige heer!’ zei het boord. ‘Ik heb een laarzeknecht en een kam.’ Dat was niet helemaal waar, zijn baas had dat, maar hij was aan het opscheppen.
‘Kom niet dichterbij!’ zei de kouseband. ‘Daar ben ik niet aan gewend!’
‘Tut-hola!’ zei het boord en toen werden ze uit de was gehaald. Ze werden gesteven, hingen over een stoel in de zon en werden toen op de strijkplank gelegd. Daar kwam het warme ijzer aan.

‘Mevrouw,’ zei het boordje, ‘lieve mevrouw de weduwe, ik word helemaal warm, ik word een ander, ik kom helemaal uit de plooi. U brandt een gat in me, oei – ik vraag om uw hand.’
‘Vod!’ zei het strijkijzer en liep verwaand over het boord heen, want het verbeeldde zich dat het een stoomketel was die naar het spoor moest om wagons te trekken. ‘Vod!’ zei het.
Het boord had een paar rafels en toen kwam de schaar om de rafels eraf te knippen.
‘O!’ zei het boord. ‘U bent zeker prima ballerina. Wat kunt u uw benen strekken! Dat is het mooiste dat ik ooit heb gezien! Dat doet geen mens u na!’
‘Dat weet ik!’ zei de schaar.
‘U verdiende het om een gravin te zijn!’ zei het boord. ‘Alles wat ik bezit, is een deftige heer, een laarzeknecht en een kam – had ik maar een graafschap!’
‘Vraagt meneer om mijn hand!’ zei de schaar, want ze werd kwaad. En toen gaf ze hem een flinke knip en toen werd hij afgedankt.
‘Ik moet maar met de kam trouwen. Vreemd hoe u al uw tanden nog hebt, juffrouwtje!’ zei het boord. ‘Hebt u nooit aan een verloving gedacht?’

‘Dat zou u toch moeten weten!’ zei de kam. ‘Ik ben toch met de laarzeknecht verloofd!’
‘Verloofd!’ zei het boord. Nu was er niemand meer om mee te trouwen en dus had hij er minachting voor.
Er ging een hele tijd voorbij. Toen kwam het boord in de bak van de papiermolen terecht. Daar was een groot voddenfeest, de tere vodden apart, de grove apart; zoals het hoort. Ze hadden allemaal veel te vertellen, maar het boord het meest. Dat was een echte opschepper.
‘Ik heb zo vreselijk veel liefjes gehad!’ zei het boord. ‘ik had geen rust! Ik was natuurlijk ook een deftige heer, met stijfsel! Ik had een laarzeknecht en een kam, die ik nooit gebruikte! U had me toen eens moeten zien, u had me moeten zien als ik op mijn zij lag! Ik vergeet nooit mijn eerste liefje, dat was een ceintuur, zo teer, zo zacht en zo mooi, ze viel voor mij in een teil! Dan was er nog een weduwe die gloeiend verliefd was, maar ik liet haar rustig branden! Toen was er de prima ballerina, die heeft me de scheur bezorgde waar ik nu mee rondloop, die was zo gulzig! Mijn eigen kam was verliefd op me, die verloor al haar tanden van liefdesverdriet. Ja, ik heb veel van dat soort dingen beleefd! Maar het ergst vind ik het voor de kouseband – ik bedoel de ceintuur die in de teil viel. Ik heb veel op mijn geweten, het is wel goed voor me om in wit papier te veranderen!’
En dat gebeurde, alle vodden werden tot wit papier verwerkt. Maar het boord werd juist dit papier dat je hier nu voor je ziet, waar dit verhaal op gedrukt is, en dat kwam omdat hij altijd zo vreselijk opschepte over dingen die nooit gebeurd waren. En dat moet je goed onthouden, dat je dat niet doet, want je kunt nooit weten of je niet ook in de voddenbak terechtkomt om wit papier te worden, waar je hele verhaal op gedrukt wordt, zelfs het allergeheimste, en dat je het dan zelf moet gaan vertellen, net als het boordje.